Schaarsbergen, september 1944

Dit jaar in september is het 70 jaar geleden dat Arnhem op last van de Duitsers moest evacueren en al geruime tijd verschijnen er in de kranten berichten hier over. We hebben kunnen lezen dat als eersten de bewoners van de binnenstad weg moesten en dat een aantal van hen naar de Hoogkamp ging. Toen het ook daar te gevaarlijk werd, zochten ze hun toevlucht in Schaarsbergen.

Dat heeft niet zo lang geduurd want ook hier nam de strijd in alle hevigheid toe. Op last van de Duitsers moesten de Schaarsbergers en hun evacués in november 1944 hun huizen uit en gingen ze op weg richting Barneveld en Apeldoorn.

De Werkgroep Historie Schaarsbergen heeft in haar archief gezocht naar artikelen en foto’s uit die periode. Verhalen hebben we gevonden, opgetekend in dagboeken maar foto’s zijn er bijna niet.

kerk1944

Luchtfoto september 1944 bom-inslagen rond de kerk , met als gevolg slachtoffers.

 

Aan de hand van wat dagboekfragmenten en verhalen van Schaarsbergers proberen wij een beeld te schetsen van de situatie toen in Schaarsbergen.

(Uit het dagboek van Wil Jager, huishoudster van de Gereformeerde predikant Ds. H. HAANHUISBoth uit Arnhem (Hoogkamp), die beiden geëvacueerd waren bij de familie K. Haan aan de Kemperbergerweg 29).

“Maandag, 25 September 1944

Wij moeten weg maar o wee, ds. heeft de sleutels en hij is naar de kerk, die ook als toevluchtsoord is ingericht, om verschillende gemeenteleden die daar zijn ondergebracht, te bezoeken.

Herman Gerritsen gaat met me mee. Als we er bijna zijn komen er eerst jagers en dan, o schrik, vele bommenwerpers. Herman vlucht het bos in en ik een huis. Daar tref ik mw. Van Gulik. Iemand roept: liggen! We gehoorzamen. ’t Kindje tussen ons in. De kleinste achter ons in de wagen. En dan……………Ik kan het niet beschrijven. Een gedreun, een geschud, een gerinkel van brekend glas achter ons. Niets doe je dan een stamelend gebed tot God opzenden om geholpen te worden. Driemaal gaat zo’n golf over je heen, driemaal de angst. Maar God verhoorde onze gebeden. We werden gered. Met Herman hand in hand lopen we, rennen we door het bos naar huis. Een nieuwe angst. Daar horen we dat bij de kerk een bom is ingeslagen. Oh en ds. Is daarheen. Maar weer, o wonder, ds. was zo ver nog niet gekomen. Hij was in de schuilkelder bij de school.”

(Uit het oorlogsdagboek van Mien Haan, Kemperbergerweg 29)

“Zondag, 29 October

’s Middags wandel ik met Riek Busser naar ons Schaarsbergense kerkje. Ontzettend, wat is het kerkje deerlijk gehavend. Het dak is helemaal ingestort. De kerk ligt vol puin. Ook ’t orgel ligt vol met kalken steen. Een wonder dat niet meer mensen omgekomen zijn.”

Tijdens dit bombardement vielen er vier doden en waren er vele gewonden. Vóór de kerk lag een dood paard.

SylvahoeveVermeldenswaard is in dit geval de Sylvahoeve. Na de slag om Arnhem trokken er vele tientallen evacués in. Zij bleven daar tot 3 november 1944, de dag waarop ook de meeste Schaarsbergers gedwongen werden te evacueren. Het percentage gereformeerden onder deze evacués was opvallend hoog en vrijwel onmiddellijk organiseerden ze zondagse erediensten. Op zondag 22 oktober werd het zilveren avondmaalstel van de kerk van Schaarsbergen in bruikleen gegeven voor een avondmaalsviering . Sindsdien zijn de bekers en schalen verdwenen. De kerk heeft na de oorlog, in 1946, een nieuw stel gekregen van de kerk van Dunblane, Schotland. (Uit: Schaarsbergen, van Zypendaal tot Kemperheide).

Eén van de evacués uit Arnhem in Schaarsbergen was Dick Onck. Hij heeft zijn herinneringen aan die tijd opgeschreven en het is bijzonder om te ervaren wat voor indruk al deze gebeurtenissen gemaakt hebben op het jongetje dat hij toen was. Hij beschrijft de dagelijkse gang van zaken maar vertelt er ook bij dat het voor hem geen ellendige tijd was. Het was spannend. Hier volgen enige gedeeltes van zijn verhaal.

“Mijn vaders moeder is op Schaarsbergen geboren, zij was één van de zeven dochters van Willem Spekschot. Deze Willem was een pachtboer die o.a. boerde op de Hienenkamp en de Grote Kweek. Hij had geen zonen en geen van zijn dochters trouwde met een boerenzoon dus was er geen opvolger. Toen hij te oud werd ging hij op de Stroolaan wonen in een huis van mijn vaders grootvader, een Arnhemse loodgieter.

Op diezelfde Stroolaan, bij de familie van Heusden op nummer 1 in de Lelie kwamen wijLELIE terecht toen Arnhem moest evacueren. Er waren toen, buiten de twee vaste bewoners, twintig evacués. Wij sliepen op veldbedden op de zolder samen met een paar andere families. Overdag woonden we in het schuurtje achter het huis en mijn moeder kookte daar op een houtkacheltje waarop normaal de was gekookt werd.

Het schuurtje had een dak van ijzeren golfplaten die hevig rammelden als er granaten overkwamen. Net als de boeren mocht mijn vader, omdat hij brandmeester was bij de vrijwillige brandweer, blijven toen ook Schaarsbergen moest evacueren. De bewoners van de Stroolaan moesten ook weg en wij bleven alleen achter in de Lelie. Toch lukte het de Duitse soldaten niet om iedereen weg te sturen. Op de hoek van de Stroolaan en de Sylvalaan woonden in een oud boerderijtje de gebroeders Rootselaar, twee oude mannetjes. Toen ook zij weg moesten, zetten ze twee stoelen op de deel, gingen zitten en zeiden: “Schiet ons maar dood, wij gaan niet”. Ze bleven dus, levend! Wij verhuisden van het schuurtje naar het huis en gingen in de kelder slapen. Behalve ons gezin dat toen uit zeven personen bestond, bleven ook zes huisdieren achter die door diverse andere evacués achtergelaten waren.

Toen begon voor mij en voor de jongens van mijn leeftijd, ik durf het haast niet te zeggen, een spannende maar ook mooie tijd. We waren nog te jong om de zorgen van onze ouders te delen maar wel oud genoeg om allerlei avonturen te beleven en hadden geen school. Wat wil je nog meer? Wat ons gevoel van vrijheid niet weinig hielp was het feit dat onze vaders alleen op straat kwamen als ze gedekt werden door een Ausweis. Ook onze moeders kwamen niet vaak buiten omdat ze dan de kans liepen opgepakt te worden en aardappels moesten gaan schillen op het vliegveld Deelen. In dit geval herinner ik mij ene Engelberts, een figuur in een glimmende grijze jas, die hiervoor aan de deur kwam. Hij had gewoond in het Wapen van Brantsen aan de Schelmseweg. Behalve mijn moeder waren ook een tante en onze hulp in de huishouding die bij ons ondergedoken was, mee geëvacueerd. Vermoedelijk dacht hij dat hij bij zoveel vrouwvolk wel iemand kon ronselen. Als we hem zagen aankomen, verdwenen de dames haastig uit zicht zodat hij er nooit in geslaagd is bij ons iemand te recruteren.

Eén van mijn taken bestond uit houthakken, gas was er na het bombardement op de gasfabriek al geruime tijd niet meer. Ook moest ik voor drinkwater zorgen en dat haalde ik bij Lamers, schuin tegenover ons. Eten haalden we in een emmer bij de gaarkeuken die in de garage van Broekhuizen was aan de Kemperbergerweg. De lekkerste soep die ik in mijn leven gegeten heb, kwam uit de noodkeuken van Gijs Wijnveld in de Stroolaan, later heette dat huis de “Vier Gijzen”. Er waren tijdens de slag om Arnhem heel wat noodslachtingen en al dat vlees ging de pot in. Zoveel vlees als daar in zat, ben ik er later nooit meer in tegengekomen.”

Bornshoeve-VITegenover ons huis stond de Bornshoeve. Er waren Duitsers ingekwartierd en ook woonde er toen (geëvacueerd) de tuinbaas van graaf Von der Goltz, Reinders. Op een zondagmorgen viel daar een V 1, een paar Duitsers gewond maar mevrouw Reinders was dood.

Ook een niet-ontplofte V1 was gevaarlijk omdat deze later alsnog kon afgaan. Dat overkwam een aantal Duitse soldaten. Van der Sluis van de Stroolaan die met paard en wagen richting Amsterdamseweg ging, kwam in plaats van met de beoogde voederbieten terug met een kar vol dode Duitsers.”

“De Duitsers hadden een grote voorraad noodbrood opgeslagen in het hooizaad magazijn van Barenbrug aan de Bakenbergseweg. Toen vanwege de luchtlanding de bewaking verslapte heeft de bevolking het magazijn ongeveer leeggeroofd. Wij zelf pasten beter op onze levensmiddelen, onze aardappelkuil had de vorm van een graf met er bovenop een kruis met een helm waar een scherfgat in zat.”

“Toen kwam eindelijk de bevrijding. Het begon met een langdurig, ononderbroken hevig granaatvuur gevolgd door een periode van stilte waarna het weer begon. De Duitsers tankkwamen nog met zestien oude Renault tanks uit Harskamp om de aanval af te slaan maar geen van die tanks is aan vernietiging ontkomen. Vanaf de grafheuvel die er vroeger was langs de Schelmseweg tegenover de Kemperbergerweg werden ze met antitankgeschut één voor één buiten gevecht gesteld. Er heeft nog lang een arm van één van de inzittenden van zo’n tank aan het hek van de Menthenberg gehangen. De boerderij van Bram Wijlhuizen, Het Hoge Erf, brandde tot de grond toe af met vee en al. Wij zaten in de kleder en kwamen alleen even boven als het iets rustiger was.”

Na het lezen van het verslag van Dick Onck zal het u opgevallen zijn dat hij, zijn familie en ook nog andere Schaarsbergers de laatste oorlogswinter niet weggeweest zijn uit Schaarsbergen. Vele anderen zijn in die tijd geëvacueerd geweest en ook over die periode bestaan mooie, aangrijpende verhalen. Wellicht is het mogelijk om in een latere dorpskrant daarop terug te komen.

Als u meer informatie wilt over de toestand in Schaarsbergen gedurende de laatste maanden van de oorlog kunt u dat vinden op de website van de Dorpsraad: www.dorpsraadschaarsbergen.nl.

Het eerder genoemde oorlogsdagboek van Mien Haan is te leen bij de Arnhemse bibliotheek

Werkgroep Historie Schaarsbergen