Verhaal van mevrouw Nieuwenhuis-Hoogendam, die in september 1944 op de Johanna Hoeve verbleef.

 

 

In de nacht van dinsdag op woensdag, in de week voorafgaande aan de Luchtlandingen, merkten wij bij de Johanna Hoeve dat er erg veel Duitsers in de buurt waren. Zij hielden zich op in de buurt van de spoorlijn en hadden overal schuttersputjes gegraven. Sindsdien mochten de boeren niet meer naar het land want ze hielden ook de akkers in de gaten. 's-Nachts trokken ze zich terug naar Arnhem of naar de Lichtenbeek en dan was het weer rustig. Op zondag de 17e, de dag van de landingen, konden we goed merken dat ze zeer verbaasd en verrast waren dat de landingen meer naar het westen, in het Renkumse gedeelte, hadden plaats gevonden.

Mijn man was in zijn jonge jaren in Canada geweest en beheerste de Engelse taal. Toen de Engelsen bij ons kwamen wisten die al reeds dat er Engels gesproken werd. Mijn man werd dan ook doorlopend naar buiten of naar een hoek in het huis geroepen; dan werden hem vragen gesteld. Ook was er bij ons op de Johanna Hoeve een grote voorraad benzine opgeslagen, die achteraf al voor de Engelsen bestemd bleek te zijn. Vermoedelijk heeft de heer De Soete, die bij de voedselvoorziening werkte, daarvoor gezorgd.

Kort na de landing zijn er heel wat mensen uit Wolfheze en van "Waldfrieden" bij ons in de kelder terecht gekomen. Dat waren in totaal wel meer dan 20 personen. We zijn in staat geweest ze van zondag de 17e tot dinsdag de 19e van voedsel te voorzien, mede dank zei bakker Van de Born, die op de Johanna Hoeve bakte en die nog wat brood in voorraad had. Doordat we clandestien een paar varkentjes hadden geslacht (ja, je deed in die tijd nogal eens dingen die niet mochten) konden we voldoende soep koken.

Dinsdags werd de boerderij in brand geschoten en toen moesten we weg. Samen met al die mensen zijn we naar Wolfheze gegaan. Daar hebben we bij het kerkje tot vrijdagmiddag in een kelder gezeten. Van daaruit zijn we lopende langs de Buunderkamp naar Ede gegaan. In Ede werden we door de heer Jan Otten vanuit Lunteren opgehaald en naar Lunteren gebracht. De eerste nacht daar brachten we door in een stal. Verder zijn we de hele evacuatietijd op de Rugenoordstichting? in Achterbeld geweest.

Van de landing is me natuurlijk het moment bijgebleven dat de Engelsen uit de lucht kwamen vallen. Ze landden in het aardappelveld. Met dat ze de grond raakten hadden ze hun machinegeweren schietklaar. Wel hadden ze volgens ons gedacht dat ze veel dichter bij Arnhem waren terecht gekomen.

Verder is me bijgebleven dat ze heel voorzichtig waren met het aannemen van voedsel, maar dat veranderde als ze merkten dat je van "de goede kant" was.

En ook dat als ze weer met elkaar bij ons weggingen dan vroegen ze altijd: "Bid voor ons". Er waren nog al veel katholieken bij.

Wat er tussen mijn man en die Engelsen is besproken weet ik niet, want daar werd ik door mijn man buiten gehouden; ook als ik iets vroeg. Hij was voorzichtig, want mijn man was ook soldaat geweest. Hij lag in de oorlog in Soest.