Artikelindex

 

" May you be like the maple leaf Grow more beautiful as you fade".

Active Image
Toen de oorlog uitbrak
 
Toen op 10 mei 1940 bij ons de oorlog uitbrak, was ik bijna 6 jaar oud. Ik herinner me heel goed dat mijn vader vreselijk uit zijn doen was en op alles schold wat ook maar iets met Duitsland te maken had. Pas later heb ik begrepen waarom hij zo fanatiek was:
Zijn vader plus zeven broers en zusters met aanhang waren pro-Duits. Dat moet vreselijk voor hem zijn geweest!
Het eerste jaar van de oorlog woonden mijn broertje en ik nog in Vlaardingen. In de grote vakantie (ongeveer acht weken) zette mijn moeder ons op de trein in Rotterdam. Tante J., de jongste zuster van mijn moeder, ving ons in Arnhem op. Meestal waren het Duitse soldatentreinen. Ik herinner mij dat we op grote zakken zaten en dat we de soldaten niet verstonden. Duits dus. Later, in 1943, stuurden mijn ouders ons voor langere tijd naar Schaarsbergen, ten eerste omdat ze dat voor ons veiliger vonden (zoals zal blijken was het in het westen veiliger dan in het oosten), ten tweede omdat daar meer voedsel was.

Schaarsbergen
 
Ik bezocht in Schaarsbergen de Christelijke lagere school, waar we meer onder dan boven de bank zaten. Ook 's nachts waren we bang:
De Duitsers hadden de V-I uitgevonden en vuurden die af op Engeland. Net boven Schaarsbergen/Deelen moest dat ding van richting veranderen en dat mislukte nogal eens. We hoorden die V-I altijd al van verre aankomen, een enorm gebrom. Tante J. vertelde dat één van die projectielen op een keer helemaal niet meer wist waar hij heen moest en dat hij negen keer over Schaarsbergen richting Deelen ging, daar weer draaide tot de Menthenberg en dan weer aankwam. Je kunt je voorstellen hoe bang we waren, want ieder moment kon dat ding neervallen. Gelukkig kwam hij in het bos terecht. Ik had een doos vol scherven die ik op een of andere manier koesterde; van sommige weet ik nog precies de vorm. Waar ze na de oorlog 'zijn gebleven, is een raadsel.
Ik geloof dat het eind '43 was dat het huis van mijn grootmoeder door de Duitsers werd gevorderd. De Orts-Kommandant nam met een stel soldaten zijn intrek en wij moesten met z'n vijven (oma, tante J., ome J., mijn broer en ik) in het kleine huisje achter ons huis. Later voegden zich twee 'SS'ers bij het stel. Ons werd verboden ook maar iets van hen aan te nemen. Alleen de grote slee mochten wij gebruiken om de Menthenberg af te racen.

Over het algemeen gebeurde er niet zoveel. Maar op een morgen moesten we allemaal in rijen naar het Hervormde kerkje lopen. Iedereen was gespannen, wat hing er nu weer boven je hoofd? De Duitsers hielden ons daar een paar uur vast en toen mochten we weer terug naar huis' lopen. Ik vergeet nooit het erbarmelijke huilen van mijn grootmoeder, want bij thuiskomst zag ze dat al haar kippetjes weg waren. Het hok was helemaal leeg. Het waren niet "zomaar" kippen; ze hadden allemaal een naam en ze liepen de keuken in en uit! Later hoorden we dat ook bij de andere dorpsbewoners alles was gestolen: de kippen, de varkens en een stel koeien.

Mijn broer en ik kregen regelmatig post van mijn ouders uit Vlaardingen. De postbode. Van Kooten, las alvast op het lange oprijpad wat er zo gebeurde in het westen. En bij de deur meldde hij alle nieuwtjes die op de kaart stonden. Het begrip "privacy" bestond toen nog niet op Schaarsbergen!
In de grote vakantie kwamen, zo lang dat nog mogelijk was, mijn ouders ook naar Arnhem. Dan gingen mijn broer en ik zo lang bij tante G., een oudere zuster van mijn moeder, logeren. Tante G. woonde in een huis naast dat van tante J. We konden onmogelijk met z'n allen in dat kleine achter-huisje. Mijn vader bracht dan clandestien een radiootje mee en ging met ome J. onder een zeil onder de dennen naar Radio Oranje zitten luisteren. Het was wel riskant! Radio Oranje, uitgezonden vanuit Londen, had een eigen begintune, die de moffen ongetwijfeld ook hoorden. We zijn er altijd vanuit gegaan dat zij tegelijkertijd luisterden, zodat het niet opviel. Maar het heeft mij wel veel zenuwen gekost, want elke keer was ik zo bang, dat mijn vader gepakt zou worden.
Niet zo lang voor de bevrijding werden er nog regelmatig Engelse vliegtuigen, op weg naar Duitsland, neergeschoten. Op een nacht stortte er één vlak bij ons huis in het bos neer. We hoorden later dat één piloot zich met een parachute had kunnen redden en gevallen was op het dak van "Rust Wat", een soort café, dat nu als pannenkoekenhuis is ingericht. De andere piloot was niet te vinden. Ome J. ging niet veel later met mijn broertje proberen de klokjes uit het vliegtuig te slopen. Toen ze daarmee bezig waren, kwam tante J. plotseling in paniek aanrennen en sommeerde ons meteen haar huis te gaan. Ik had nooit begrepen waarom ze plotseling zo overstuur was. Ze vertelde dat ze een voet (van die spoorloze vlieger) had gevonden en vermoedde dat er nog wel wat meer lag. Ze wilde het risico niet lopen dat' J. of ik andere lichaamsdelen zouden vinden.

De laatste winter, die van 1944, waren er nog nauwelijks V-I's in de lucht. Dat was een hele opluchting. Wel kregen we vrij veel mensen uit het westen aan de deur die om eten vroegen.
Mijn broer, een neef en twee ondergedoken joodse kinderen, René en Stephan Felsenthal, speelden veel op het "heitje", zoals we het heideveld noemden. Onder een grote dennenboom bouwden we daar een hut. Op een morgen vonden mijn broer en ik in onze hut twee mannen. Zij beduidden ons rustig te blijven en naar onze ouders te gaan om te vertellen dat er twee mannen waren. En dat deden we. Wij, in ieder geval ik, die toen tien jaar was, begrepen dat het geen Duitsers waren, want ze spraken een andere taal, maar Engels had ik nog nooit gehoord. Mijn oom en tante begrepen onmiddellijk dat het piloten moesten zijn en zochten contact met mensen die konden proberen hen veilig onder te brengen. Twee dagen lang bracht mijn oom brood, melk en warm eten naar de hut. Er werd een plan verzonnen: ze kregen burgerkleren en moesten met tante J. en een vriendin doen alsof ze dronken waren. Al waggelend liepen ze naar een bepaald huis, waar de ondergrondse verder voor hen zorgde.

Slag om Arnhem
 
Half september 1944 hoorden we vanuit grootmoeders huis scheldende SS-ers. Ze waren in paniek: de Engelsen waren de Rijn overgekomen. Maar de Duitsers hadden daar juist sterke eenheden paraat en het werd een droevige afgang voor de geallieerden. Van de hevige gevechten zelf heb ik niet veel gemerkt. Wel herinner ik me dat veel Arnhemmers en Oosterbekers op de vlucht sloegen richting de Veluwe, dus richting Schaarsbergen. In dié tijd ook verlieten de Duitsers ons huis. In een ommezien zat het vol vluchtelingen. Zeker wel dertig mensen. Ze sliepen dicht op elkaar in de grote gang en in de twee benedenkamers. Voorzover ik me herinner niet boven. Daar zaten wij én een echtpaar waarvan de vrouw op het punt stond te baren.
Wat onze eigen familie betreft voltrok zich een drama. De oudste zuster van mijn moeder,  kwam totaal ontredderd met man en drie kinderen het pad op. Ze hadden een oude kinderwagen bij zich. Het huis was propvol en mijn grootmoeder moest haar doorsturen, want je kon toch onmogelijk anderen er weer uitzetten. Dat heeft mijn tante de familie jarenlang zeer kwalijk genomen. Gelukkig werden ze wel opgenomen in het huis van tante G., dat vlakbij mijn grootmoeders huis stond. Na enige tijd werden de vluchtelingen ondergebracht in diverse dorpen op de Veluwe. De tante uit Oosterbeek en haar gezin moesten tot na de oorlog bij een familie in Otterlo blijven.
 
Bevrijding
 
Pas in het voorjaar van 1945 werd door de geallieerden een nieuwe poging ondernomen. Die slaagde wel! Er werd hevig gevochten, ook in en in de onmiddellijke omgeving van Schaarsbergen. Van tante J. hoorde ik dat de Engelse en Canadese soldaten lopend tussen de grote bomen aan de Kemperbergerweg (waaraan ook grootmoeders huis lag) alles wat bewoog doodschoten. Tante J. zei dat het hele bos vol dode Duitse soldaten lag, want de geallieerden hadden inmiddels de gehele Veluwe omsingeld. Voor de Duitsers was er geen ontkomen aan. Ze konden zich kennelijk niet meer verweren. Naderhand turfden we de Duitse dode soldaten die we aan de kant van de weg zagen liggen. Tenslotte besefte je als kind niet goed wat er aan de hand was. We zagen honderden soldaten, liggend op hun buik, het geweer opstaand ernaast en de helm op de kolf van het geweer. Ze werden met vrachtwagens opgehaald en in het bos aan de Schelmse weg begraven. Een baron (pro-Duits!) had een gedeelte van zijn landgoed daartoe ter beschikking gesteld. Na de 'oorlog zijn ze herbegraven. Later zijn de Engelse en Canadese soldaten herbegraven op de Airborn-begraafplaats.

In het boek Uit die laatste periode van de oorlog herinner ik me ook het volgende nog goed. Een Engelse tank installeerde zich in wat wij "het dal" noemden. Grootmoeders huis lag namelijk wat lager aan de voet van de Menthenberg. Elke keer als er vanuit richting Arnhem een Duitse tank of ander voertuig naderde, doofde de Engelse soldaat met zijn grote, laars zijn sigaret, stapte in en schoot het Duitse voertuig kapot. Nu denk ik weleens: daar zaten toch ook mensen, vaak jonge jongens in, die veelal in de vlammen omkwamen.
Wij hadden die laatste maanden totaal geen contact meer met mijn ouders. Vlak na de capitulatie kreeg mijn moeder van het Militair Gezag een vergunning om naar haar zieke moeder in Schaarsbergen te reizen. Door toedoen van één van onze buren in Vlaardingen, die bij de B.S. (Binnenlandse Strijdkrachten) zat, kon zij meerijden met een auto van de B.S. Begin september zijn wij op dezelfde manier met z'n drieën naar Vlaardingen teruggereden. We moesten toch weer naar school!
Maar zolang we nog bij tante J. waren, begon voor ons kinderen opnieuw een spannende tijd. Vlakbij haar huis werden Engelse en Canadese soldaten gestationeerd. L, een joods meisje, dat ondergedoken was geweest bij een oud-tante, en ik riepen: "Eggs, fresh eggs!", welke woorden we inmiddels geleerd hadden. We ruilden de eieren voor kauwgum (iets wat we nog helemaal niet kenden) en sigaretten. Een Canadese officier probeerde met ons te praten en vroeg waar we woonden. Op een zondagmiddag kwam hij wandelend langs en wij vroegen aan tante J. of hij bij ons zou mogen komen theedrinken. Maandenlang kwam hij 's zondagsmiddags en na een paar weken bleef hij ook 's avonds eten. De enige met wie hij echt kon praten was mijn vader, die inmiddels ook een vergunning had gekregen om naar Arnhem te reizen.
De officier heette Don Brake. Hij heeft een Canadees versje in mijn poezie-album geschreven:
 
" May you be like the maple leaf Grow more beautiful as you fade".

Intussen werden veel soldaten met hun materieel in Hoek van Holland verscheept naar Canada en Engeland. Voordat Don Brake naar de Hoek reed, deed hij Vlaardinger aan. Je kunt je voorstellen hoe wij ons voelden, toen er een Canadese jeep voor ons huis stopte! Te meer omdat aan de overkant van ons huis een familie woonde, die in de oorlog Duitse legerauto's voor de deur had staan.
Alles bij elkaar was het in de oorlog een onrustige tijd voor ons:
Dan weer in Vlaardingen, dan weer voor maanden in Schaarsbergen. Toen de treinen niet meer reden, zaten we tijdens zo'n reis een hele dag op een Rijnaak van Rotterdam naar Arnhem, met het gevaar vanuit de lucht beschoten te worden door geallieerde vliegtuigen.
Natuurlijk is er nog veel meer gebeurd, maar dit zijn enige herinneringen die me altijd erg zijn bijgebleven.
Natuurlijk is het bovenstaande maar een fractie van wat er dag in dag uit in mijn kindertijd gebeurde!
------------
Foto tank:
 
 
Boek "Door de lens van De Booys" van Van Iddekinge,op blz. 97, een Duits pantservoertuig dat kapot geschoten ligt voor het huis van mw. Van den Born-Broekhuizen aan de Kemperbergerweg.

 

De tank bovenaan de Kemperbergerweg was een Franse Renault tank van het type Pz.Kpfw.35R(f),(Panzer Kampfwagen 35R f)) De "f" tussen haakjes betekent dat het om een van oorsprong Franse tank gaat. Het gaat dus om een door de Duitsers, in 1940 buitgemaakte tank, een "Beutepanzer". Deze tank behoorde tot de Panzerjäger-Abteilung 657 die in dit stadium van de oorlog bekend stond als de Panzerjäger-Abteilung 684. Commandant van de eenheid was Hauptmann Pulkowski.

De Panzerjäger-Abteilung 657 was in november 1943 opgericht in Nederland als staf voor de Panzerjäger-Kompanien 612, 613 en de Panzer-Kompanie 224.

Bronnen:
Marcel Zwarts, German armored units at Arnhem : September 1944, p. 69 Verbände und Truppen der deutschen Wehrmacht und Waffen-SS 1939-1945 :

die Landstreitkräfte, Band 12, pg. 53