Artikelindex

 
Een nieuw dorp

Door de ontginningen tussen  1845 en 1880 ontstond zelfs een nieuw dorp: Schaarsbergen. Eén van de voorwaarden waarop de grond werd verkocht, was namelijk dat er huizen of boerderijen werden gebouwd. Vooral door toedoen van de eigenaren van Zijpendaal, baron Brantsen van de Zijp,
en Warnsborn, de Bruin, ontwikkelde zich op de heide, die grotendeels hun eigendom was, een nieuwe gemeenschap. Veel boeren en bos- en landarbeiders waren bij hen in dienst en door financiële bijdragen maakten zij de bouwHEIDERY van een kerk en een christelijke school mogelijk. Zo veranderde de grote stille heide in een landschap van dennenbossen en eiken- en beukenlanen met huizen en boerderijen, landerijen en rechte grindwegen. Het oude patroon van de veelal mulle zandwegen verdween en alleen de Haderwijkerweg bleef voor het grootste deel zij oude tracé behouden. De heide werd steeds verder teruggedrongen. Wat overbleef, bevond zich hoofdzakelijk noordelijk van de Koningsweg, de Kemperheide, en werd aan het eind van de vorige eeuw in gebruik genomen als schietterrein voor de artillerie en infanterie. Die militaire bestemming heeft er in ieder geval voor gezorgd dat Arnhem tot op de dag van heden nog één groot heide terrein heeft overgehou-
den .


Bron! J. Hofman en j. Ipema, Een eeuw op de hoogte,
Arnhem 1982.


Het ontstaan van Schaarsbergen

De weerstand tegen ontginning van heide werd vanaf het ein- de van de 18e eeuw onder invloed van nieuwe ideeën over de landbouw langzaam teniet gedaan. De slechte economische omstandigheden droegen er bovendien toe bij dat de aandacht - die in die tijd vnl. op de handel was gericht - zich naar
de landbouw keerde en naar de mogelijkheden om deze te verbeteren en uit te breiden. Ontginning van de zgn. "woeste gronden", die toentertijd nog een aanzienlijk deel van Nederland in beslag namen - 900.000 ha. tegen nu 80.000 ha - werd als een der voornaamste oplossingen beschouwd en bestu- deerd.

Het zijn de grootgrondbezitters, die zich ten noorden van Arnhem met de ontginning zouden gaan bezighouden. Welgestelde heren, die enerzijds hun landgoederen wilden verfraaien en vergroten en anderzijds meenden door ontginning, in het bijzonder door de aanleg van bossen, enig financieel voordeel te kunnen behalen. Zij waren bovendien de enigen die de financiële middelen voor dit omvangrijke werk bezaten. Vanaf 1835 begonnen zij hun bezittingen uit te breiden door de aankoop van heidegrond, die door de gemeente Arnhem tegen lage koopprijzen (ƒ. 6,= pw bunder) werd aangeboden.

In de jaren 1835 en 1836 verkocht de gemeente enkele honderden hectaren heidegrond, gelegen in het noordoosten van de gemeente. Het grootste deel van deze heidevelden werd ontgonnen tot bossen van grove dennen, één van de weinige bomen die op schrale zandgrond nog enigszins wilde groeien
en die, indien pp korte afstand van elkaar geplant rechte stammen krijgt. Werden met name in de mijnbouw als stuthout gebruikt.

In de jaren 1840 volgde een nieuwe reeks verkopingen door de stad van heidegronden. Nu waren de heidevelden in het noordwesten van de gemeente gelegen aan de beurt. Het was vnl. de nieuwe eigenaar van het landgoed Warnsborn die hiervan profiteerde. Voorwaarden waren o.a. de bouw van een viertal woningen en de aanleg en verharding van de huidige Kemperbergerweg. Het grootste deel van het aangekochte terrein gebruikte de Bruijn voor de uitbouw en aanleg van een parkachtig bos. Behalve dennen werden daar ook loof bomen geplant, terwijl het geheel werd voorzien van slingerende wandelpaden en (met elkaar in verbinding staande vijvers).

Het beleid van de gemeente Arnhem was er steeds op gericht om bij de verkoop van de heidevelden zodanige voorwaarden te stellen dat de ontginning ook daadwerkelijk zou plaatsvinden en op deze wijze het gebied een goede bestemming te geven. De voorwaarden betroffen in de regel bepalingen, waarbij de bouw van één of meer boerderijen, de aanleg of het opnieuw banen van wegen of gedeelten daarvan en een termijn van 5 è 10 jaar waarbinnen de grond ontgonnen moest zijn, voorgeschreven werden.

Het grootste deel van de heidegronden werd, vanwege de onvruchtbaarheid ervan, bebost met grove dennen, slechts een klein deel werd omgezet in bouwland. De ontginning van de "woeste gronden" werd van overheidswege enigszins gestimuleerd, doordat de ontgonnen gronden grotendeels werden vrij-
gesteld van de grondbelasting gedurende een periode van 20 jaar.

De door de grootgrondbezitters en enkele kleine ontginners gestichte ontginningsboerderijen zijn vooral te vinden langs de Koningsweg, die rond 1850 - waarschijnlijk tegelijk met het aanleggen en verharden van de Kemperbergerweg, die gedeeltelijk een nieuw tracé kreeg. Daar vinden we boerderijen als Heidepol, Grijsoord, Mariazorg, Rijzenburg, Kruishorst, Wildhoeve, Heiderijk, Nieuwenhuizen, Petersburg, Leipzig, Nomen Nescio, die allen in deze jaren zijn gebouwd. Het is daarbij opvallend dat al deze boerderijen ver van de kern van de landgoederen, waartoe ze veelal behoorden, lagen. Een duidelijke reden is hiervoor niet aan te geven.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw was het gebied tussen Schelmseweg en de Koningsweg in grote lijnen opgedeeld tussen de eigenaren van de landgoederen Warnsborn, Zijpendaal, Sonsbeek, Klarenbeek en Roosendaal: het gebied tussen de Harderwijkerweg en de Kemperbergerweg behoorde toe aan Warnsborn, tussen de Harderwijkerweg en de Deelenseweg aan Zijpendaal, tussen de Deelenseweg en de Waterbergseweg aan Sonsbeek, tussen de Waterbergseweg en ongeveer de Apeldoornseweg aan Klarenbeek en het resterende gebied bij de Apeldoornseweg
aan Rosendaal. De kleinere grondbezitters hadden hun eigendommen meer langs of te noorden van de Koningsweg.

De ontginningswerkzaamheden trokken vanzelfsprekend allerlei mensen, arbeiders, dagloners en boeren van elders aan. In de nieuw gebouwde boerderijen vestigden zich pachtboeren en zo raakte de eertijds eenzame grote heidevlakte begroeid met bossen en bewoond door mensen. Ar stond een typisch ontginningsdorp: kaarsrechte wegen met lintbebouwing.