Artikelindex

Bron: Ach lieve tijd, Arnhemmers en hun rijke verleden,
1983.


De ontginning

Aan het einde van de 18e eeuw begon men zich af te vragen of de grote oppervlakten heide- en zandgronden in Nederland niet nuttiger gebruikt konden worden. Er werd geëxperimenteerd met nieuwe landbouwmethoden en het jarenlange verbod om de heide te ontginnen, raakte steeds meer op de achtergrond.

Tot de eersten die de ontginning in Arnhem op grote schaal wilden aanpakken, behoorden baron Brantsen van de Zijp, eigenaar van Zijpendaal en baron van Heeckeren van Enghuizen, eigenaar van Sonsbeek. Zij verzochten in 1834 de gemeente om hun het grootste deel van de heide, waar
zij het recht hadden hun schapen te drijven, en dat eigendom van de gemeente was, tegen een billijke prijs te verkopen.

Ingrijpende wijzigingen in het landschap voltrokken zich. Zo schrijft men in 1854 dat waterbronnen zijn opgespoord en putten zijn gegraven, uitgestrekte heidevelden zijn veranderd in bossen van statige sparren of in akkers. De grove den bleek het meest geschikt voor deze schrale zandgronden en bovendien leverde deze boomsoort met zijn rechte stammen uitstekend stuthout voor de Belgische
mijnen. De bossen dienden ook om de grond te verbeteren, zodat die, als er voldoende humus was gevormd, voor landbouw gebruikt kunnen worden. Door de aanslag van bossen
ontstonden tevens goede jachtterreinen.