Artikelindex

De heidevelden in het buitengebied (schependom) tot de 19e
eeuw.


In het buitengebied lag een aantal landgoederen en boerderijen, zoals Mariëndaal, Warnsborn, Bakenberg, de Kluis, Zijpendaal, de Wiltbaan, Klarenbeek, Angerenstein, Valkenhuizen. Enkele daarvan stammen uit de Middeleeuwen als stichtingen van kloosters. Mariëndaal zelf was een klooster dat o.a. Het Hoge Erf als ontginningsboerderij bouwde. Het Lage Erf, het andere deel van het latere Warnsborn, is een door de hertog toegekende ontginning uit het begin van de 15e eeuw. Anderen zijn eerst in de 17e eeuw ontstaan, zoals de Sterrenberg, Lichtenbeek, Kemperberg, Bakenberg. Oorspronkelijk meestal slechts boerderijen, zijn zij later uitgegroeid tot vaak omvangrijke landgoederen.

Buiten deze smalle gordel van landgoederen, die op of in de nabijheid van de heuvels waren gelegen, lagen de uitgestrekte heidevelden op de hoogvlakte. Voor de uitvinding van de kunstmest in de 2e helft van de vorige eeuw vormde de heide een onmisbaar element in het boerenbedrijf op de zandgronden. Daar kon de boer zijn vee, dat voornamelijk uit schapen bestond, laten weiden. Daar haalde hij het strooisel in de vorm van plaggen voor zijn stallen vandaan, waarmee de mest van schapen werd vermengd en vervolgens op de schrale landbouwgrond gebracht.

De grote boerderijen hadden zich in de loop van de tijd het alleenrecht verworven om op een bepaald stuk heide hun schapen te weiden en plaggen te maaien. Dit zgn. recht van schaapsdrift kwam o.a. toe aan de genoemde boerderijen en landgoederen die aan de heide grensden. Het hield echter niet in dat de gebruiker ook eigenaar van de grond was. De stad behield in naam het eigendomsrecht. De gebruikers hadden dus niet het vrije beschikkingsrecht en moesten de gemeente uitkopen, toen zij in de 19e eeuw de heide wilden ontginnen.

Veranderingen in het midden van de 19e eeuw

De gemeente verkocht de gronden onder de voorwaarde dat er nieuwe wegen werden aangelegd ter vervanging van oude buurtwegen, dat de ontginning tot bos of bouwland binnen 5 tot 10 jaar zou plaats vinden, dat tenslotte boerenwoningen werden gebouwd. Op deze wijze profiteerde de stad niet alleen van de opbrengsten van de verkoop, maar ook van de aanleg van nieuwe en herstel van oude wegen, de bouw van boerderijen en de aanplant van nieuwe bossen. De motieven van de kopers - voorzover te achterhalen - zijn tweeërlei: verfraaiing van het landgoed, maar ook werkverschaffingsproject.

De gevolgen: de bestaande zandwegen werden door rechte met grind verharde wegen vervangen. Kemperbergerweg, Deelenseweg, Koningsweg en Schelmseweg kregen hun huidige loop. In het totaal worden tussen 1835 en 1854 zo'n 2600 ha heide verkocht, dat betekent dat ongeveer 3/4 van alle heidegrond in particuliere handen is overgegaan. Slechts het gedeelte benoorden de Koningsweg bleef voor het grootste deel bezit van de gemeente. Daar zouden de schietterreinen voor de artillerie en de infanterie worden aangelegd.
Bron: A.Markus, Arnhem omstreeks het midden der vorige
eeuw, 1907 (herdruk 1965)

blz. 480 Warnsborn


Rechts van de Amsterdamse weg, nabij de tol, voert een brede beukenlaan naar het landgoed Warnsborn. In 1410 was dit landgoed een particuliere bezitting van hertog Reinald IV; de kronieken van het midden der 15e eeuw maken gewag van een pastoor van Warnsborn. Tijdens de eeuwwisseling was dit buiten meer bekend onder de naam van het Lage erf en het Hoge erf. Genoemd naar de plaatselijke gesteldheid van de bodem.

Vroegere eigenaren als baron Roël van Hazerswoude en de Bruin hebben op dit landgoed vele verbeteringen aangebracht en veel dor heideveld in vruchtbare akkers herschapen.

Bakenberg (de Menthenberg)
                             
Deze bezitting is nog al eens van naam verwisseld; vroeger heette zij "Kiek Kaver", in het begin der 18e eeuw naar de toenmalige eigenaar Everwijn "de Everwijnsberg". In het begin van 1700 was de Bakenberg het eigendom van Willem Menthen; deze kreeg van de gemeente nog een stuk heidegrond om de Bakenberg te vergroten. Naar de eigenaar heette het landgoed toen "de Menthenberg.

Zijpendaal of de Zijp

Het landgoed de Zijp of Zijpendaal, vroeger de "Biksberg" geheten, heeft lange tijd geleden, wegens de talrijke bronnen, welke zich op dat landgoed bevinden, de naam van "de Zijp" ontvangen. Als zodanig vindt men het ook vermeld in 1644, toen Laurens Swaenendijk er eigenaar van was. In 1743 werd de Zijp het eigendom van Brantsen, secretaris der gemeente Arnhem; deze liet op de plaats, waar het oude huis stond, een nieuw gebouw zetten, het huidige kasteel Zijpendaai.

Bron;J. Hofman en J. Ipema, Een eeuw op de hoogte, Arnhem,'82

Over heide en oude wegen
  

Het licht heuvelachtig gebied dat globaal gezien ten noorden van de Schelmseweg ligt en dat verder begrensd wordt door de Apeldoornseweg, de Amsterdamseweg (of Amersfoortseweg) en de noordgrens van de gemeente Arnhem, was omstreeks 1840 één grote zandvlakte grotendeels begroeid met heide. Slechts hier en daar waren kleine stukjes grond bebouwd en bewoond.

Binnen dit gebied treft men de landgoederen Warnsborn, Bakenberg en de Waterberg (de Kluis) aan.

Warnsborn

Warnsborn is reeds in de 15e eeuw bekend en bestond toen alleen uit het "Hoge erf", een boerderij in eigendom van het klooster Mariëndaal, dat iets zuidelijker lag. Het "Lage erf" werd in 1428 door Arnold, hertog van Gelre, als heideveld in erfpacht afgestaan aan van Postel. Na de reformatie zijn beide goederen in handen van de Staten van het kwartier Veluwe gekomen, totdat ze in 1640 beide verkocht werden aan Everwijn, burgemeester van Arnhem. Vanaf deze tijd stammen ook de verbouwingen van de boerderij "het Lage erf" tot landhuis. In 1836 was Warnsborn in het bezit van baron Roëll, wiens weduwe het landgoed in 1841 verkocht aan de heren de Bruijn, drie broers, allen wonende te Amsterdam.

Bakenberg

In de nabijheid van Warnsborn ligt de "Bakenburg", dat in de 17e eeuw naar de toenmalige eigenaar "Everwijnsberg" heette. Willem Menthen verkreeg als volgende bezitter in 1701 een stuk heide van de stad in erfpacht ter vergrotingvan het landgoed. Op last van het stadsbestuur mocht hij deze heide echter niet ontginnen. Naar hem werd het landgoed in de 18e eeuw ook wei "Menthenberg" genoemd.

Waterberg

De Waterberg, ten noorden van de Schelmseweg, was in het begin van de 19e eeuw in het bezit van Gaymans, een hoge ambtenaar bij het gewestelijk bestuur, die het bij het landgoed behorende huis ingrijpend verbouwde. In 1825 werd het landgoed aangekocht door de eigenaar van Sonsbeek, baron van Heeckeren van Enghuizen, die vier jaar tevoren in bezit van Sonsbeek was gekomen.

Landschap voor de ontginningen

In het begin van de 19e eeuw werd het gebied buiten de landgoederen veelal afgeschilderd als een dorre, onvruchtbare vlakte, die men vanaf de heuvels bij de Schelmseweg kon overzien tot aan de gehuchten Deelen en Terlet (ongeveer 2 uur gaans). De verschillende eigenaren van landgoederen lieten daar hun schapen weiden. Vanwege de schapenteelt werden door de stad na 1664 nauwelijks of geen stukken heide meer ter ontginning uitgegeven. In de 17e en 18e eeuw leidde de schapenteelt een bloeiend bestaan.

De wijd verbreide schapenteelt in het noordelijk gebied rond Arnhem was er de oorzaak van dat de heide in stand gehouden werd en er geen bossen ontstonden. De jonge loten van berken of eiken werden door de schapen al snel na het opkomen verorberd. Bovendien voorkwam het voortdurend maaien en af plaggen van de heide door de boeren, waardoor de grond steeds schraler werd, eveneens iedere boomgroei. De belangen van de schapenhouders verhinderden voorts dat heidegronden op grote schaal werden ontgonnen. Slechts hier en daar werden kleine stukjes, al dan niet clandestien, ontgonnen.

Het hier beschreven gebied dat eeuwenlang kaal, dor en vrijwel onveranderd was gebleven, zou binnen een halve eeuw volslagen van uiterlijk veranderen. Huizen en boerderijen met mensen en vee, landerijen, bomen en bossen en verharde wegen zouden een niet verwachte dimensie
eraan geven. Een getuigenis van de ingrijpende invloed van menselijk handelen.