Artikelindex

 

 

Samenvatting met betrekking tot de geschiedenis van Schaarsbergen en omgeving

 

   Grafheuvel Warnsborn
 
Bron: Ach lieve tijd, Arnhemmers en hun rijke verleden, 1983.'

blz. 5      Oudste sporen

Het oudste spoor van een mens op het grondgebied van de latere gemeente Arnhem werd in 1979 bij toeval gevonden door een toerist uit Castricum. Op een druk belopen pad in de bossen van Schaarsbergen raapte hij een stuk vuursteen op, dat bij nadere bestudering een bewerkte afslag van ruim honderdduizend jaar geleden bleek te zijn. De afslag moet gemaakt zijn door een mens uit de  oude steentijd, een jager dus.

 

 



Ruim 4500 jaar geleden, in de Nieuwe Steentijd, kwamen op de hogere delen van het landschap boeren wonen. Van hun nederzettingen is nog niets teruggevonden, maar wel hun belangrijkste werktuig, de geslepen stenen bijl, waarmee ze stukken bos kapten voor hun akkers. Ook kennen
we grafheuvels die zij aanlegden. Bij Schaarsbergen bevinden er zich twaalf, waarvan er zes wetenschappelijk werden onderzocht. Twee bleken er te dateren uit het laatst van de Nieuwe Steentijd, 2500-1700 voor Chr., de overige uit de Vroege en Midden Bronstijd (resp. 1700-1400 en 1400-1000 voor Chr.). In één van de heuvels uit de steentijd vond men een lijk-silhouet een "schaduw" van de dode - en als grafgiften een beker van het zgn. "standvoet"-type met touwversiering, een bijltje van grijze vuursteen en een spaanmes, eveneens van vuursteen. Door in grondmonsters stuifmeelkorrels te determineren en te tellen kon men zich een voorstelling van maken hoe het landschap van toen begroeid moet zijn geweest:overal loofbos met op de hogere delen vooral linden en eiken en in de beken elzen en hazelaars. Dat de heide zich nadien sterk uitbreidde en het loofbos teruggedrongen werd, was mede een gevolg van het ingrijpen in het landschap door de boeren.



 
Knap, Willem, Arnhem 1233-1933, Gedenkboek, Arnhem 1933

blz 108     Heide-ontginningen in de 17e en 18e eeuw
Jonge Schaapherder In het begin van de 15e eeuw vond men onmiddellijk buiten de stad het ongerepte landschap van de Veluwe. Voor het belangrijkste deel heide. De heide bij Arnhem behoorde voor het grootste deel aan de stad. Zij stond onder het beheer van een der schepenen. Pas in 1628 is begonnen met het uitgeven van heidegronden voor ontginning (een heideveld achter de Kemperberg, dat zich uitstrekte tot aan Papendal). De onderneming slaagde en de eerste heide-ontginners vonden navolgers. Van de eigenaars der schaapskudden rezen echter bezwaren. Het gebied waar de schapen konden grazen werd ingekrompen. Het houden van schapen was destijds een zeer winstgevend bedrijf. Het was een soort monopolie, want slechts
enkele ingezetenen bezaten schaapsdriften. Het schapenvlees werd destijds in ons land meer dan thans gewaardeerd. Het was echter in hoofdzaak te doen om de wol.
De eigenaars van schaapsdriften en de boeren vonden steun bij de overheid. In 1649 besloot men voortaan geen heidevelden in het schependom meer uit te geven. De reeds aangelegde velden moesten voorzover zij aan heidevelden en wegen waren gelegen met wallen worden omgeven. Het had er in de tweede helft van de 17e eeuw alle schijn van dat de heide voor de schapenteelt, voor plaggen steken en hei-maaien was veilig gesteld. De stads rentmeester Willem Muys kreeg dertig morgen grond aan de Amsterdamseweg, omdat hij zich als gijzelaar in handen had gesteld van de Fransen tot de brandschatting was betaald (1672). In 1686 kreeg Engelbert Engelen, griffier van het Hof en burgemeester van Arnhem, een heideveld bij de Geitenkamp, waar men reeds met het in cultuur brengen was begonnen. In 1701 werd aan Willem Menthen heidegrond in erfpacht gegeven tot vergroting van het landgoed Bakenberg.
Bron; Arnhem, acht historische opstellen.

Hofman, J., Ontginning van de heidevelden in de gemeente Arnhem in de 19de eeuw: een oriënterend onderzoek.


De heidevelden in het buitengebied (schependom) tot de 19e
eeuw.


In het buitengebied lag een aantal landgoederen en boerderijen, zoals Mariëndaal, Warnsborn, Bakenberg, de Kluis, Zijpendaal, de Wiltbaan, Klarenbeek, Angerenstein, Valkenhuizen. Enkele daarvan stammen uit de Middeleeuwen als stichtingen van kloosters. Mariëndaal zelf was een klooster dat o.a. Het Hoge Erf als ontginningsboerderij bouwde. Het Lage Erf, het andere deel van het latere Warnsborn, is een door de hertog toegekende ontginning uit het begin van de 15e eeuw. Anderen zijn eerst in de 17e eeuw ontstaan, zoals de Sterrenberg, Lichtenbeek, Kemperberg, Bakenberg. Oorspronkelijk meestal slechts boerderijen, zijn zij later uitgegroeid tot vaak omvangrijke landgoederen.

Buiten deze smalle gordel van landgoederen, die op of in de nabijheid van de heuvels waren gelegen, lagen de uitgestrekte heidevelden op de hoogvlakte. Voor de uitvinding van de kunstmest in de 2e helft van de vorige eeuw vormde de heide een onmisbaar element in het boerenbedrijf op de zandgronden. Daar kon de boer zijn vee, dat voornamelijk uit schapen bestond, laten weiden. Daar haalde hij het strooisel in de vorm van plaggen voor zijn stallen vandaan, waarmee de mest van schapen werd vermengd en vervolgens op de schrale landbouwgrond gebracht.

De grote boerderijen hadden zich in de loop van de tijd het alleenrecht verworven om op een bepaald stuk heide hun schapen te weiden en plaggen te maaien. Dit zgn. recht van schaapsdrift kwam o.a. toe aan de genoemde boerderijen en landgoederen die aan de heide grensden. Het hield echter niet in dat de gebruiker ook eigenaar van de grond was. De stad behield in naam het eigendomsrecht. De gebruikers hadden dus niet het vrije beschikkingsrecht en moesten de gemeente uitkopen, toen zij in de 19e eeuw de heide wilden ontginnen.

Veranderingen in het midden van de 19e eeuw

De gemeente verkocht de gronden onder de voorwaarde dat er nieuwe wegen werden aangelegd ter vervanging van oude buurtwegen, dat de ontginning tot bos of bouwland binnen 5 tot 10 jaar zou plaats vinden, dat tenslotte boerenwoningen werden gebouwd. Op deze wijze profiteerde de stad niet alleen van de opbrengsten van de verkoop, maar ook van de aanleg van nieuwe en herstel van oude wegen, de bouw van boerderijen en de aanplant van nieuwe bossen. De motieven van de kopers - voorzover te achterhalen - zijn tweeërlei: verfraaiing van het landgoed, maar ook werkverschaffingsproject.

De gevolgen: de bestaande zandwegen werden door rechte met grind verharde wegen vervangen. Kemperbergerweg, Deelenseweg, Koningsweg en Schelmseweg kregen hun huidige loop. In het totaal worden tussen 1835 en 1854 zo'n 2600 ha heide verkocht, dat betekent dat ongeveer 3/4 van alle heidegrond in particuliere handen is overgegaan. Slechts het gedeelte benoorden de Koningsweg bleef voor het grootste deel bezit van de gemeente. Daar zouden de schietterreinen voor de artillerie en de infanterie worden aangelegd.
Bron: A.Markus, Arnhem omstreeks het midden der vorige
eeuw, 1907 (herdruk 1965)

blz. 480 Warnsborn


Rechts van de Amsterdamse weg, nabij de tol, voert een brede beukenlaan naar het landgoed Warnsborn. In 1410 was dit landgoed een particuliere bezitting van hertog Reinald IV; de kronieken van het midden der 15e eeuw maken gewag van een pastoor van Warnsborn. Tijdens de eeuwwisseling was dit buiten meer bekend onder de naam van het Lage erf en het Hoge erf. Genoemd naar de plaatselijke gesteldheid van de bodem.

Vroegere eigenaren als baron Roël van Hazerswoude en de Bruin hebben op dit landgoed vele verbeteringen aangebracht en veel dor heideveld in vruchtbare akkers herschapen.

Bakenberg (de Menthenberg)
                             
Deze bezitting is nog al eens van naam verwisseld; vroeger heette zij "Kiek Kaver", in het begin der 18e eeuw naar de toenmalige eigenaar Everwijn "de Everwijnsberg". In het begin van 1700 was de Bakenberg het eigendom van Willem Menthen; deze kreeg van de gemeente nog een stuk heidegrond om de Bakenberg te vergroten. Naar de eigenaar heette het landgoed toen "de Menthenberg.

Zijpendaal of de Zijp

Het landgoed de Zijp of Zijpendaal, vroeger de "Biksberg" geheten, heeft lange tijd geleden, wegens de talrijke bronnen, welke zich op dat landgoed bevinden, de naam van "de Zijp" ontvangen. Als zodanig vindt men het ook vermeld in 1644, toen Laurens Swaenendijk er eigenaar van was. In 1743 werd de Zijp het eigendom van Brantsen, secretaris der gemeente Arnhem; deze liet op de plaats, waar het oude huis stond, een nieuw gebouw zetten, het huidige kasteel Zijpendaai.

Bron;J. Hofman en J. Ipema, Een eeuw op de hoogte, Arnhem,'82

Over heide en oude wegen
  

Het licht heuvelachtig gebied dat globaal gezien ten noorden van de Schelmseweg ligt en dat verder begrensd wordt door de Apeldoornseweg, de Amsterdamseweg (of Amersfoortseweg) en de noordgrens van de gemeente Arnhem, was omstreeks 1840 één grote zandvlakte grotendeels begroeid met heide. Slechts hier en daar waren kleine stukjes grond bebouwd en bewoond.

Binnen dit gebied treft men de landgoederen Warnsborn, Bakenberg en de Waterberg (de Kluis) aan.

Warnsborn

Warnsborn is reeds in de 15e eeuw bekend en bestond toen alleen uit het "Hoge erf", een boerderij in eigendom van het klooster Mariëndaal, dat iets zuidelijker lag. Het "Lage erf" werd in 1428 door Arnold, hertog van Gelre, als heideveld in erfpacht afgestaan aan van Postel. Na de reformatie zijn beide goederen in handen van de Staten van het kwartier Veluwe gekomen, totdat ze in 1640 beide verkocht werden aan Everwijn, burgemeester van Arnhem. Vanaf deze tijd stammen ook de verbouwingen van de boerderij "het Lage erf" tot landhuis. In 1836 was Warnsborn in het bezit van baron Roëll, wiens weduwe het landgoed in 1841 verkocht aan de heren de Bruijn, drie broers, allen wonende te Amsterdam.

Bakenberg

In de nabijheid van Warnsborn ligt de "Bakenburg", dat in de 17e eeuw naar de toenmalige eigenaar "Everwijnsberg" heette. Willem Menthen verkreeg als volgende bezitter in 1701 een stuk heide van de stad in erfpacht ter vergrotingvan het landgoed. Op last van het stadsbestuur mocht hij deze heide echter niet ontginnen. Naar hem werd het landgoed in de 18e eeuw ook wei "Menthenberg" genoemd.

Waterberg

De Waterberg, ten noorden van de Schelmseweg, was in het begin van de 19e eeuw in het bezit van Gaymans, een hoge ambtenaar bij het gewestelijk bestuur, die het bij het landgoed behorende huis ingrijpend verbouwde. In 1825 werd het landgoed aangekocht door de eigenaar van Sonsbeek, baron van Heeckeren van Enghuizen, die vier jaar tevoren in bezit van Sonsbeek was gekomen.

Landschap voor de ontginningen

In het begin van de 19e eeuw werd het gebied buiten de landgoederen veelal afgeschilderd als een dorre, onvruchtbare vlakte, die men vanaf de heuvels bij de Schelmseweg kon overzien tot aan de gehuchten Deelen en Terlet (ongeveer 2 uur gaans). De verschillende eigenaren van landgoederen lieten daar hun schapen weiden. Vanwege de schapenteelt werden door de stad na 1664 nauwelijks of geen stukken heide meer ter ontginning uitgegeven. In de 17e en 18e eeuw leidde de schapenteelt een bloeiend bestaan.

De wijd verbreide schapenteelt in het noordelijk gebied rond Arnhem was er de oorzaak van dat de heide in stand gehouden werd en er geen bossen ontstonden. De jonge loten van berken of eiken werden door de schapen al snel na het opkomen verorberd. Bovendien voorkwam het voortdurend maaien en af plaggen van de heide door de boeren, waardoor de grond steeds schraler werd, eveneens iedere boomgroei. De belangen van de schapenhouders verhinderden voorts dat heidegronden op grote schaal werden ontgonnen. Slechts hier en daar werden kleine stukjes, al dan niet clandestien, ontgonnen.

Het hier beschreven gebied dat eeuwenlang kaal, dor en vrijwel onveranderd was gebleven, zou binnen een halve eeuw volslagen van uiterlijk veranderen. Huizen en boerderijen met mensen en vee, landerijen, bomen en bossen en verharde wegen zouden een niet verwachte dimensie
eraan geven. Een getuigenis van de ingrijpende invloed van menselijk handelen.

 



Wegenstructuur

Het hier beschreven gebied werd in vroeger eeuwen doorkruist door zeer vele zandwegen, niet veel meer dan karresporen die vooral 's winters niet of nauwelijks begaanbaar waren. In de 19e eeuw, toen wel op grote schaal met ontginningen werd begonnen, zijn ze bijna alle verdwenen en ten dele vervangen door aanvankelijk met grind verharde, rechte wegen. Deze nieuwe wegen lopen nog slechts voor een klein deel volgens het oude patroon. Eén daarvan is de oude Konigsweg, eigenlijk een overblijfsel van twee koningswegen. Beide werden aan het einde van de 17e eeuw aangelegd door Koning-stadhouder Willem III om zich t.b.v. zijn grootscheepse jachtpartijen van zijn verschillende verblijfplaatsen op de Veluwe te kunnen verplaatsen. Zo liep er een jachtweg van de Hof te Dieren (jachthuis van de Oranjes) kaarsrecht naar de Ginkelse Heide en een ander van Kasteel het Loo naar kasteel Doorwerth. Beide wegen kruisten elkaar, waar nu de huidige koningsweg een scherpe bocht maakt.

Een andere weg, waarvan de loop nog enigszins terug te vinden is, is de Harderwijker weg, een zgn. Hessenweg, die van Arnhem naar Harderwijk liep en die bij het landgoed Lichtenbeek zich van de Amsterdamseweg afsplitste. De Schelmseweg daarentegen heeft in vroeger eeuwen voor een groot deel een ander verloop gehad. Vanaf ongeveer het huidige viaduct over de Cattepoelseweg liep de weg naar het noordwesten om de "Sinckelenberg" (= ongeveer Burgers Dierenpark) en het landgoed de Bakenberg heen, langs het "Lage erf" (= hotel Warnsborn) en het goed "Wolfhees" richting nieuwe Utrechtseweg.

ouddeelenBij het landgoed Kemperberg en de buurtschap Deelen kwamen vele van de  genoemde zandwegen bij elkaar. Het waren bijna allemaal plaatselijke wegen. Alleen de Harderwijkerweg
en de wegen naar Apeldoorn en Amersfoort waren van meer betekenis.             
Het landschap wordt ook doorsneden door een aantal ondiepe. erosiedalen, die tegenwoordig vanwege de begroeiing met bossen niet meer zo duidelijk zichtbaar zijn. Het voornaamste dal is wei het "Merckendal", dat ongeveer oost-noord-oost naar zuidwest loopt. Dit dal kruist de Deelenseweg ter hoogte van de snelweg A 12 en de Kemperbergerweg ter hoogte van huize "Erica". Met dit dal verenigen zich een aantal kleinere dalen, o.a. de "Grasdel" en de "Pollendal". Bij het landgoed Kemperberg komt
voorts de zgn. "Lange del" vanaf het oosten uit. Op de grens van Arnhem en Ede tenslotte loopt het "Papendal" van noord naar zuid, ongeveer ter hoogte van het landgoed Kemperberg beginnend.


Bron: Ach lieve tijd, Arnhemmers en hun rijke verleden,
1983.


De ontginning

Aan het einde van de 18e eeuw begon men zich af te vragen of de grote oppervlakten heide- en zandgronden in Nederland niet nuttiger gebruikt konden worden. Er werd geëxperimenteerd met nieuwe landbouwmethoden en het jarenlange verbod om de heide te ontginnen, raakte steeds meer op de achtergrond.

Tot de eersten die de ontginning in Arnhem op grote schaal wilden aanpakken, behoorden baron Brantsen van de Zijp, eigenaar van Zijpendaal en baron van Heeckeren van Enghuizen, eigenaar van Sonsbeek. Zij verzochten in 1834 de gemeente om hun het grootste deel van de heide, waar
zij het recht hadden hun schapen te drijven, en dat eigendom van de gemeente was, tegen een billijke prijs te verkopen.

Ingrijpende wijzigingen in het landschap voltrokken zich. Zo schrijft men in 1854 dat waterbronnen zijn opgespoord en putten zijn gegraven, uitgestrekte heidevelden zijn veranderd in bossen van statige sparren of in akkers. De grove den bleek het meest geschikt voor deze schrale zandgronden en bovendien leverde deze boomsoort met zijn rechte stammen uitstekend stuthout voor de Belgische
mijnen. De bossen dienden ook om de grond te verbeteren, zodat die, als er voldoende humus was gevormd, voor landbouw gebruikt kunnen worden. Door de aanslag van bossen
ontstonden tevens goede jachtterreinen.


 
Een nieuw dorp

Door de ontginningen tussen  1845 en 1880 ontstond zelfs een nieuw dorp: Schaarsbergen. Eén van de voorwaarden waarop de grond werd verkocht, was namelijk dat er huizen of boerderijen werden gebouwd. Vooral door toedoen van de eigenaren van Zijpendaal, baron Brantsen van de Zijp,
en Warnsborn, de Bruin, ontwikkelde zich op de heide, die grotendeels hun eigendom was, een nieuwe gemeenschap. Veel boeren en bos- en landarbeiders waren bij hen in dienst en door financiële bijdragen maakten zij de bouwHEIDERY van een kerk en een christelijke school mogelijk. Zo veranderde de grote stille heide in een landschap van dennenbossen en eiken- en beukenlanen met huizen en boerderijen, landerijen en rechte grindwegen. Het oude patroon van de veelal mulle zandwegen verdween en alleen de Haderwijkerweg bleef voor het grootste deel zij oude tracé behouden. De heide werd steeds verder teruggedrongen. Wat overbleef, bevond zich hoofdzakelijk noordelijk van de Koningsweg, de Kemperheide, en werd aan het eind van de vorige eeuw in gebruik genomen als schietterrein voor de artillerie en infanterie. Die militaire bestemming heeft er in ieder geval voor gezorgd dat Arnhem tot op de dag van heden nog één groot heide terrein heeft overgehou-
den .


Bron! J. Hofman en j. Ipema, Een eeuw op de hoogte,
Arnhem 1982.


Het ontstaan van Schaarsbergen

De weerstand tegen ontginning van heide werd vanaf het ein- de van de 18e eeuw onder invloed van nieuwe ideeën over de landbouw langzaam teniet gedaan. De slechte economische omstandigheden droegen er bovendien toe bij dat de aandacht - die in die tijd vnl. op de handel was gericht - zich naar
de landbouw keerde en naar de mogelijkheden om deze te verbeteren en uit te breiden. Ontginning van de zgn. "woeste gronden", die toentertijd nog een aanzienlijk deel van Nederland in beslag namen - 900.000 ha. tegen nu 80.000 ha - werd als een der voornaamste oplossingen beschouwd en bestu- deerd.

Het zijn de grootgrondbezitters, die zich ten noorden van Arnhem met de ontginning zouden gaan bezighouden. Welgestelde heren, die enerzijds hun landgoederen wilden verfraaien en vergroten en anderzijds meenden door ontginning, in het bijzonder door de aanleg van bossen, enig financieel voordeel te kunnen behalen. Zij waren bovendien de enigen die de financiële middelen voor dit omvangrijke werk bezaten. Vanaf 1835 begonnen zij hun bezittingen uit te breiden door de aankoop van heidegrond, die door de gemeente Arnhem tegen lage koopprijzen (ƒ. 6,= pw bunder) werd aangeboden.

In de jaren 1835 en 1836 verkocht de gemeente enkele honderden hectaren heidegrond, gelegen in het noordoosten van de gemeente. Het grootste deel van deze heidevelden werd ontgonnen tot bossen van grove dennen, één van de weinige bomen die op schrale zandgrond nog enigszins wilde groeien
en die, indien pp korte afstand van elkaar geplant rechte stammen krijgt. Werden met name in de mijnbouw als stuthout gebruikt.

In de jaren 1840 volgde een nieuwe reeks verkopingen door de stad van heidegronden. Nu waren de heidevelden in het noordwesten van de gemeente gelegen aan de beurt. Het was vnl. de nieuwe eigenaar van het landgoed Warnsborn die hiervan profiteerde. Voorwaarden waren o.a. de bouw van een viertal woningen en de aanleg en verharding van de huidige Kemperbergerweg. Het grootste deel van het aangekochte terrein gebruikte de Bruijn voor de uitbouw en aanleg van een parkachtig bos. Behalve dennen werden daar ook loof bomen geplant, terwijl het geheel werd voorzien van slingerende wandelpaden en (met elkaar in verbinding staande vijvers).

Het beleid van de gemeente Arnhem was er steeds op gericht om bij de verkoop van de heidevelden zodanige voorwaarden te stellen dat de ontginning ook daadwerkelijk zou plaatsvinden en op deze wijze het gebied een goede bestemming te geven. De voorwaarden betroffen in de regel bepalingen, waarbij de bouw van één of meer boerderijen, de aanleg of het opnieuw banen van wegen of gedeelten daarvan en een termijn van 5 è 10 jaar waarbinnen de grond ontgonnen moest zijn, voorgeschreven werden.

Het grootste deel van de heidegronden werd, vanwege de onvruchtbaarheid ervan, bebost met grove dennen, slechts een klein deel werd omgezet in bouwland. De ontginning van de "woeste gronden" werd van overheidswege enigszins gestimuleerd, doordat de ontgonnen gronden grotendeels werden vrij-
gesteld van de grondbelasting gedurende een periode van 20 jaar.

De door de grootgrondbezitters en enkele kleine ontginners gestichte ontginningsboerderijen zijn vooral te vinden langs de Koningsweg, die rond 1850 - waarschijnlijk tegelijk met het aanleggen en verharden van de Kemperbergerweg, die gedeeltelijk een nieuw tracé kreeg. Daar vinden we boerderijen als Heidepol, Grijsoord, Mariazorg, Rijzenburg, Kruishorst, Wildhoeve, Heiderijk, Nieuwenhuizen, Petersburg, Leipzig, Nomen Nescio, die allen in deze jaren zijn gebouwd. Het is daarbij opvallend dat al deze boerderijen ver van de kern van de landgoederen, waartoe ze veelal behoorden, lagen. Een duidelijke reden is hiervoor niet aan te geven.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw was het gebied tussen Schelmseweg en de Koningsweg in grote lijnen opgedeeld tussen de eigenaren van de landgoederen Warnsborn, Zijpendaal, Sonsbeek, Klarenbeek en Roosendaal: het gebied tussen de Harderwijkerweg en de Kemperbergerweg behoorde toe aan Warnsborn, tussen de Harderwijkerweg en de Deelenseweg aan Zijpendaal, tussen de Deelenseweg en de Waterbergseweg aan Sonsbeek, tussen de Waterbergseweg en ongeveer de Apeldoornseweg aan Klarenbeek en het resterende gebied bij de Apeldoornseweg
aan Rosendaal. De kleinere grondbezitters hadden hun eigendommen meer langs of te noorden van de Koningsweg.

De ontginningswerkzaamheden trokken vanzelfsprekend allerlei mensen, arbeiders, dagloners en boeren van elders aan. In de nieuw gebouwde boerderijen vestigden zich pachtboeren en zo raakte de eertijds eenzame grote heidevlakte begroeid met bossen en bewoond door mensen. Ar stond een typisch ontginningsdorp: kaarsrechte wegen met lintbebouwing.


Stichting van de openbare school

Rond 1860 was de Schaarsbergse gemeenschap zo groot geworden dat men tot de bouw van een school besloot (nu restaurant "Koningshoek"). De stichting van de school met de Bijbel in augustus 1882 betekende voor de openbare school een zware aderlating, die zij eigenlijk niet meer te boven zou
komen. Zij verloor ongeveer 60 van de 90 leerlingen. De tweestrijd tussen beide scholen zou voortduren tot de opheffing van de openbare school in 1981.                       
 
De stichting van de Nederlandse Hervormde kerk in 1869

Ook het inwonertal steeg en in de jaren 1860werden onder leiding van de Heer de Bruijn van Warnsborn en baron van Brantsen van de Zijp pogingen in het werk gesteld om een aparte kerkelijke gemeente te stichten.

In het najaar van 1868 begon men met de bouw van kerk en pastorie op een terrein dat door baron Brantsen beschikbaar was gesteld.

Het is inmiddels duidelijk hoe groot de invloed vaïi de baron op de gang van zaken in de nieuwe kerkelijke gemeente was. Dat gold ook bij de benoeming van predikanten.




Bron: Iddekinge, P.R.A. van, Arnhem 44/45, Arnhem 1981

biz.97/98  Schaarsbergen niet geëvacueerd

Schaarsbergen was om de een of andere onnaspeurlijke reden van de evacuatie uitgezonderd gebleven en oefende een begrijpelijke aantrekkingskracht op Arnhemse evacués uit. Na een week zaten er al ongeveer 4000, wat natuurlijk een enorme belasting betekende. Gaandeweg werd er met behulp van actieve Schaarsbergers een organisatie opgebouwd om de woongemeenschap die op zo'n wonderlijke manier was ontstaan enigszins te laten reilen en zeilen. Ook de brandweer werd gedeeltelijk op Schaarsbergen teruggetrokken.

Eveneens uitgezonderd van het evacuatiebevel was het Nederlands Openluchtmuseum aan de Schelmseweg. Het werd weldra een toevluchtsoord voor ettelijke honderden Arnhemmers, die
zich in de diverse gebouwen op het terrein vestigden.

biz. 160   Woongemeenschap Schaarsbergen

Er functioneerde in Schaarsbergen een centrale keuken, die levensmiddelen verwerkte welke door of namens het Rode Kruis uit de stad werden opgehaald. Net als in andere plaatsen werden aan Arnhemse evacués de maaltijden gratis verstrekt. Inwoners van Schaarsbergen kwamen voor die maaltijden niet in aanmerking.

De huisvesting van evacués kon niet anders dan geïmproviseerd zijn. Al gauw moest gebruik gemaakt worden van kippenhokken en schuurtjes. Door een aantal bouwkundige voorzieningen te treffen, werden de primitieve onderkomens nog enigszins bewoonbaar.

Waarschijnlijk wel enigszins te voorzien was dat de situatie in Schaarsbergen, met zoveel evacués in zulke primitieve omstandigheden, niet zo kon blijven.

Wat er met Schaarsbergen moest gebeuren, beslisten uiteindelijk de Duitsers. Op donderdag 2 november werd bevolen dat de gehele bevolking van Schaarsbergen binnen twee etmalen moest evacueren. Het is vooral aan Schermers (waarnemend burgemeester) te danken dat er uitzonderingen werden gemaakt.Die betroffen voornamelijk de oorspronkelijke bevolking, in het bijzonder de boeren en vervolgens ook diegenen die nuttig kunnen zijn voor Technische Nooddienst, keuken en beheer.

De lange stoeten mensen met wat handbagage en met te zwaar beladen fietsen en karretjes - het leek een herhaling van de grote uittocht in September. Het optimisme dat de oorlog nog maar kort zou duren, was nu echter danig bekoeld. Ook was het seizoen aanmerkelijk grimmiger. Tegelijk met Schaarsbergen, met dezelfde haast, werd het Openluchtmuseum groten-
deels ontruimd.

Het is hier niet de plaats op de bevrijding van Arnhem. Wel moet gezegd worden dat op 15 April Arnhem tot aan de Schelmseweg van Duitsers was gezuiverd. De bevrijding van Schaarsbergen vond de volgende dag plaats.
 

 
Geraadpleegde bronnen
 
- Arnhem-, 7 eeuwen stad, officieel gedenkboek (Arnhem 1933)

- Knap, W.G. en G.F.C. Vergouwe, Arnhem 1233-1933 (Arnhem '339

- Arnhem; elf facetten uit de l9e en 20e eeuw van het Arnhemse Genootschap voor Oudheidkunde "prodesse conamur"

- Arnhem, 8 historische opstellen van de vereniging "Gelre"

- Loon, W.K. van, Arnhemse straten geplaveid met herinneringen

- Alberts, prof. dr. W.J-, Arnhem, het leven in een middeleeuwse stad

- Tiemens, W.H. Schaarsbergen een jong dorp met een oude naam

- Ven, A.J. van de. De oude buitenverblijven rondom de tad, in; Arnhem 7 eeuwen stad 1933
- Arnhem omstreeks het midden der vorige eeuw, A. Markus Arnhemse herdrukken)

- Knap, Willen, Arnhem 1233-.19Ï3, Gedenkboek, Arnhem 1933.

- Sonsbeke, van, Arnhemse straten geplaveid met herinneringen (I en II), Arnhem 1983.

- Langenhoff en Seebach, De muzen omsingeld, Musis Sacrum 1847 1983 , Gemeente-archief Arnhem 1983.

- Leppink, Mr G.B. Uit de geschiedenis van de Drie Gasthuizen in Arnhem, Arnhem 1983

- Iddekinge, P.'R.A. van, Arnhem 44/45, Arnhem 1981

- Hofman, J. en Ipema, J. Een eeuw op de hoogte, Arnhem 1982

- Ach lieve tijd, Arnhemmers en hun rijke verleden, Arnhem 1983