Artikelindex

 

 

Samenvatting met betrekking tot de geschiedenis van Schaarsbergen en omgeving

 

   Grafheuvel Warnsborn
 
Bron: Ach lieve tijd, Arnhemmers en hun rijke verleden, 1983.'

blz. 5      Oudste sporen

Het oudste spoor van een mens op het grondgebied van de latere gemeente Arnhem werd in 1979 bij toeval gevonden door een toerist uit Castricum. Op een druk belopen pad in de bossen van Schaarsbergen raapte hij een stuk vuursteen op, dat bij nadere bestudering een bewerkte afslag van ruim honderdduizend jaar geleden bleek te zijn. De afslag moet gemaakt zijn door een mens uit de  oude steentijd, een jager dus.

 

 



Ruim 4500 jaar geleden, in de Nieuwe Steentijd, kwamen op de hogere delen van het landschap boeren wonen. Van hun nederzettingen is nog niets teruggevonden, maar wel hun belangrijkste werktuig, de geslepen stenen bijl, waarmee ze stukken bos kapten voor hun akkers. Ook kennen
we grafheuvels die zij aanlegden. Bij Schaarsbergen bevinden er zich twaalf, waarvan er zes wetenschappelijk werden onderzocht. Twee bleken er te dateren uit het laatst van de Nieuwe Steentijd, 2500-1700 voor Chr., de overige uit de Vroege en Midden Bronstijd (resp. 1700-1400 en 1400-1000 voor Chr.). In één van de heuvels uit de steentijd vond men een lijk-silhouet een "schaduw" van de dode - en als grafgiften een beker van het zgn. "standvoet"-type met touwversiering, een bijltje van grijze vuursteen en een spaanmes, eveneens van vuursteen. Door in grondmonsters stuifmeelkorrels te determineren en te tellen kon men zich een voorstelling van maken hoe het landschap van toen begroeid moet zijn geweest:overal loofbos met op de hogere delen vooral linden en eiken en in de beken elzen en hazelaars. Dat de heide zich nadien sterk uitbreidde en het loofbos teruggedrongen werd, was mede een gevolg van het ingrijpen in het landschap door de boeren.



 
Knap, Willem, Arnhem 1233-1933, Gedenkboek, Arnhem 1933

blz 108     Heide-ontginningen in de 17e en 18e eeuw
Jonge Schaapherder In het begin van de 15e eeuw vond men onmiddellijk buiten de stad het ongerepte landschap van de Veluwe. Voor het belangrijkste deel heide. De heide bij Arnhem behoorde voor het grootste deel aan de stad. Zij stond onder het beheer van een der schepenen. Pas in 1628 is begonnen met het uitgeven van heidegronden voor ontginning (een heideveld achter de Kemperberg, dat zich uitstrekte tot aan Papendal). De onderneming slaagde en de eerste heide-ontginners vonden navolgers. Van de eigenaars der schaapskudden rezen echter bezwaren. Het gebied waar de schapen konden grazen werd ingekrompen. Het houden van schapen was destijds een zeer winstgevend bedrijf. Het was een soort monopolie, want slechts
enkele ingezetenen bezaten schaapsdriften. Het schapenvlees werd destijds in ons land meer dan thans gewaardeerd. Het was echter in hoofdzaak te doen om de wol.
De eigenaars van schaapsdriften en de boeren vonden steun bij de overheid. In 1649 besloot men voortaan geen heidevelden in het schependom meer uit te geven. De reeds aangelegde velden moesten voorzover zij aan heidevelden en wegen waren gelegen met wallen worden omgeven. Het had er in de tweede helft van de 17e eeuw alle schijn van dat de heide voor de schapenteelt, voor plaggen steken en hei-maaien was veilig gesteld. De stads rentmeester Willem Muys kreeg dertig morgen grond aan de Amsterdamseweg, omdat hij zich als gijzelaar in handen had gesteld van de Fransen tot de brandschatting was betaald (1672). In 1686 kreeg Engelbert Engelen, griffier van het Hof en burgemeester van Arnhem, een heideveld bij de Geitenkamp, waar men reeds met het in cultuur brengen was begonnen. In 1701 werd aan Willem Menthen heidegrond in erfpacht gegeven tot vergroting van het landgoed Bakenberg.
Bron; Arnhem, acht historische opstellen.

Hofman, J., Ontginning van de heidevelden in de gemeente Arnhem in de 19de eeuw: een oriënterend onderzoek.