Vlak na de oorlog begon Henk van Hunen een brandstoffenhandel in een loods aan de Schelmseweg naast restaurant de Mentenberg. Hij had toen al een radiowinkel en fietsenreparatiewinkel op de Hoogkamp.

Gerrit van de Steeg (al vanaf zijn twaalfde werkzaam bij van Hunen) zorgde er voor dat de kolen vanuit Duitsland die bij station Oosterbeek werden gelost in de loods terechtkwamen en van daaruit weer bij de klanten werden afgeleverd. In verband met een verbreding van de Schelmse weg moest in 1951 de loods aan de Schelmseweg verdwijnen. Henk kocht een stuk bouwgrond aan de Strolaan en bouwde daar een loods van 30 meter lang en 10 meter breed met een puntdak. Toen een jaar later bleek dat de loods toch te klein was werden er twee loodsen schuin achter de eerste loods gebouwd en werd de bestaande loods tot twee woonhuizen verbouwd. Het voorste gedeelte werd verhuurd en in het achterste gedeelte kwam het gezin van de Steeg te wonen. Zelf woonde Henk met zijn gezin boven de zaak op de Hoogkamp. De bestellingen voor de kolen werden gedaan bij Henk die ze weer doorgaf aan Gerrit, hij zorgde ervoor dat de kolen terecht kwamen bij de klanten. De klanten woonde in alle wijken van Arnhem en ook in Oosterbeek, Schaarsbergen en op Deelen hadden ze klanten.




De wagons met kolen uit Nederland die per spoor in Oosterbeek-Laag (bij de Klingelbeekseweg) werden aangeleverd moesten binnen 12 uur geleegd worden. Met een vrachtwagen reed Gerrit samen met zijn zoons naar het station en loste de kolen in zakken die gestapeld werden in de open laadbak. Als de wagon gaandeweg leeg raakte moesten de jongens door het kleine luikje naar binnen om de laatste restjes kolen met de bats aanschuiven door het luikje. Zuinigheid geboden! Met een volle vrachtwagen werd er terug gereden naar Schaarsbergen, daar leegde ze de wagen in de loods. De zakken werden vervolgens leeg mee terug genomen voor de volgende lading. Bij gladde wegen in de winter was het moeilijk om de bult in Oosterbeek op te komen, maar met hulp van boer van Veelen die met de trekker met een lier eraan ze omhoog kon trekken, lukte het om boven te komen. Niet alle kolen werden per trein aangevoerd ook kwam leverancier Bonz uit Duitsland ze met een vrachtwagen brengen. Dit was voor Gerrit veel minder werk want de kolen werden doormiddel van een lopende band in de loods gebracht. Nadat de kolen in de loods lagen moesten ze worden gezeefd en gesorteerd. De rotzooi en grof kolenstof werd er uit gezeefd en soort werd bij soort in het hok opgeslagen. De verschillende soorten waren Eierkolen, Antraciet in twee verschillende maten, Briketten en Cokes. Die laatste werden voornamelijk gebruikt bij het zweefvliegveld. De gezeefde kolen werden in zakken gedaan waar een halve mud in kon (ongeveer 35 kilo) en in zakken van 7 kilo. Het grote stof dat overbleef bracht Gerrit naar Apeldoorn waarna het verder werd vervoerd naar IJmuiden naar een bedrijf dat er asfalt van maakte.




Gerrit begon meestal om zeven uur s ’morgens met het laden van zijn vrachtwagen om de bestellingen rond te brengen. Op de vrachtwagen paste ongeveer 100 halve mud zakken. Behalve gewone huizen en bedrijven had hij ook veel klanten die op een flat woonden. Liften waren er nog niet dus moest Gerrit met meestal twee zakken op zijn nek de trappen op, door de flat heen om op het balkon te komen waar het kolenhok stond. Zwaar werk waarbij je ook nog op moest passen dat de muren, meubels en vloeren niet onder het kolenstof kwamen te zitten. Rond de middag kwam hij dan weer terug met een lege wagen, die hij na het eten weer vulde met nog eens 100 zakken. Er waren meer kolenhandelaren rond om Arnhem maar ze gingen onderling goed met elkaar om als er hulp nodig was hielpen ze elkaar doormiddel van mankracht of het lenen van kolen zodat ieder zijn eigen klanten kon voorzien van hun bestelling. In de zomer was het altijd rustig met bezorgen dus werd de tijd benut voor het onderhouden en eventueel uitbreiden van de kolenloods. In de wintermaanden had Gerrit hulp van een knecht die dan ook tijdelijk in het tot slaapkamer omgebouwde fietsenhok woonde.




De kinderen van Gerrit moesten ook vaak helpen met onder andere het vullen van zakken kolen. Toch vinden ze dat het een leuke tijd was, ze wisten met de kolen goed te mikken op de raampjes van het huis zodat er regelmatig eentje sneuvelde. Schilder Hop die er dan weer nieuw glas in moest zetten kende ondertussen de maten van de ramen uit zijn hoofd. In 1965 stopte Henk van Hunen met de kolenhandel doordat er steeds meer mensen aardgas kregen en dat meer toekomst had.