Artikelindex

 

Door:  Korps-commandant b.d. gem. Renkum de heer L.Th.J.  Jansen

De zomer van 1976 had alle voorwaarden in zich om een kleine bosbrand uit te laten groeien tot een brand van grote omvang. Dat gebeurde dan ook op 7 juli 1976. Een kleine bosbrand begonnen op het Roosendaalse Veld verwoestte uiteindelijk globaal 400 ha natuurschoon. Inmiddels een stukje geschiedenis, toen een gebeurtenis met een behoorlijke impact.

 

Het verhaal van een iemand die de blussingswerkzaamheden zelf meemaakte.

De 7 juli begon als een warme zomerdag zoals de zomer van 1976 er velen kende. Het was al weken warm zonnig en er was geen regen gevallen. De periode voor de 7 juli waren er wat gebruikelijke kleine bosbrandjes geweest die snel onder controle waren. Ik was destijds nog maar beperkt bij het brandweer gebeuren betrokken. Als opgeleid brandwacht maakte ik deel uit van de toenmalige bedrijfszelfbescherming van de gemeente Renkum. Ik stond vlak voor mijn officiële toetreding tot vrijwillig lid van de gemeente brandweer Renkum. De brandweer kende ik al jaren omdat zowel mijn vader als mijn grootvader bij de brandweer betrokken waren. Dat de brandweer later mijn beroep zou worden wist ik toen nog niet.

Op de bewuste dag zat ik ’s morgens in een wekelijkse stafvergadering van de toenmalige dienst gemeentewerken op het gemeentehuis in Oosterbeek.

Normaal zat onze directeur die vergadering voor maar vanwege zijn vakantie werd deze taak overgenomen door de toenmalige wethouder van openbare werken. Gedurende de vergadering werd het steeds donkerder, zelfs in die mate dat het licht aan moest. De wethouder keek regelmatig zorgelijk naar buiten, er zou wel een enorme zware onweersbui losbarsten. Het constante lawaai van tweetonige hoorns deed echter wat anders vermoeden. Het begrip multichannel was nog niet uitgevonden maar al spoedig waren er geruchten van een geweldige bosbrand in Arnhem op of nabij het Rosendaalse veld. Onrust maakte zich van iedereen meester en de vergadering werd dan ook spoedig beëindigd

Rond 12.00 u werd ook ik opgeroepen met een aantal collega’s om te gaan helpen bij de steeds groter wordende brand die ( nog ) niet onder controle was.

Onze centrale post ( hoofdsteunpunt) was toen nog gevestigd in het zogenaamde koetshuis van Hartenstein ( momenteel brasserie Hartenstein). Regionale samenwerking in de zin van thans kenden we niet. De brandweerwet 1956 was nog van kracht en schreef voor dat de brandweer zorg een zaak van de gemeenten was. Iedere gemeente ( op een paar historische uitzonderingen na) had dus zijn eigen brandweer organisatie. Verzoek om samenwerking liep via de burgemeesters onderling, zo nodig met inschakeling van de commissaris van de Koningin.

In de praktijk kwam het erop neer dat iedereen zoveel mogelijk trachtte zijn eigen problemen op te lossen en in zeer uitzonderlijke situatie werd van collegiale hulp ( bijstand zoals dat formeel heette ) gebruik gemaakt.

 

vHerinneringstegel 25 jaar VBC (J.V. van Galen)Er was echter al in die tijd een uitzondering. Op het gebied van bosbranden was er wel een vorm van intergemeentelijke samenwerking op de Veluwe middels het VBC ( Veluws bosbrandweer comité) Dit samenwerkingsverband was al opgericht voor de tweede wereldoorlog omdat de gezamenlijke brandweerleiders op de Veluwe inzagen dat bosbrand van enige omvang de capaciteit van de onderscheidenlijke korpsen op de Veluwe te boven ging. Dus in feite de eerste regionale vorm van samen werking. Het VBC hield zich bezig met het onderhouden van contacten tussen de brandweren op de Veluwe, De brandtoren anno 2000 een herinnering aan de brand van 1976zorgde in overleg met de gemeenten voor het in standhouden van brandtorens en de bezetting daarop in droge tijden en stelde geld ter beschikking om op de Veluwe diverse materieel depots in stand te houden. Dit waren meestal op slagplaatsen in de nabijheid van boswachters waar materieel zoals bijlen, heideschuivers, zagen en schoppen waren opgeslagen. De bosbrandbestrijding stoelde op dat moment feitelijk op twee organisaties. Ten eerste de gemeentelijke brandweren die ook de leiding hadden over het blussingswerk, ten tweede personeel in dienst van Staatsbosbeheer, natuurmonumenten en vergelijkbare organisaties die het vuur moesten bestrijden met de eerder omschreven hulpmiddelen. Daarnaast kon een beroep worden gedaan op militaire hulp. De overheidsbrandweer bluste en doet dit nog steeds met